Typ om te zoeken

In the spotlight Innovatie Ziekenhuizen

Antistoffen COVID-19 niet bij iedereen even duurzaam

Delen

UZ Brussel presenteert resultaten van de derde fase van het onderzoek naar antistoffen bij zijn medewerkers.

In het UZ Brussel is het aantal personeelsleden met COVID-19 antistoffen gehalveerd vijf maanden na de eerste fase van het onderzoek. Dit blijkt uit de derde fase van de COVEMUZ-studie waaraan 2.662 van de ongeveer 3.800 ziekenhuismedewerkers heeft deelgenomen.  

Het UZ Brussel voert een grootschalig prospectief wetenschappelijk onderzoek uit bij zijn ziekenhuismedewerkers waarbij de aanwezigheid en ontwikkeling van antistoffen tegen het SARS-CoV-2 virus in het bloed wordt opgevolgd. De eerste drie fasen zijn ondertussen afgerond: de eerste en tweede fase vonden plaats tussen 18 mei en 12 juni en tussen 13 juli en 7 augustus. Vijf maanden na de eerste fase, tussen 5 oktober en 30 oktober, ging de derde fase door.

In totaal namen 2.662 personeelsleden aan de studie deel, waarvan 75% vrouwen en 25% mannen. 21% van de deelnemers was jonger dan 30 jaar, 48% was tussen de 30 en 50 jaar en 32% was ouder dan 50 jaar. Het gaat om alle ziekenhuisprofielen, zowel medisch, paramedisch als niet-medisch personeel. Enkel deelnemers aan fase 1 mochten ook deelnemen aan fase 2 en 3. De overgrote meerderheid van de deelnemers kwam inderdaad ook terug voor een tweede (92,6%) en derde (87,8%) bloedonderzoek.

Antistoffen zijn niet bij iedereen even duurzaam.

Van de 2.662 deelnemers testten 7,4% positief op COVID-19 antistoffen in fase 1, 6,8% in fase 2 en 5,5% in fase 3: een percentage dat nauwelijks hoger is dan dat van de algemene bevolking.

Van de 2152 deelnemers die zowel aan fase 1 als fase 3 hebben deelgenomen én in fase 1 geen antistoffen hadden, testten slechts 37/2152 (1,7%) bijkomend positief in fase 3. Van de 185 deelnemers met antistoffen in fase 1, bleek slechts 49,7% in fase 3 nog over antistoffen te beschikken.

“De resultaten van dit onderzoek tonen aan dat antistoffen bij sommige personen langer aanwezig blijven in het bloed dan bij anderen. De exacte reden hiervoor is nog niet duidelijk. Dit zou eventueel kunnen verklaard worden door de ernst van de COVID-19 symptomen op het moment van de infectie, maar dit gegeven moet nog verder onderzocht worden. Het toont alleszins het belang aan van het blijvend opvolgen van alle beschermingsmaatregelen, ook na een COVID-19-besmetting.”, stelt prof. Sabine Allard, kliniekhoofd Interne geneeskunde.

Positieve test betekent niet noodzakelijk antistoffen.

Van de deelnemers die positief antwoordden op de vraag of zij tussen februari 2020 en de dag van de bloedafname in fase 1 positief testten op een uitstrijk voor COVID-19, bleek 10,2% geen antistoffen te hebben. Van de deelnemers die positief antwoordden op de vraag of zij tussen fase 2 en 3 positief testten voor COVID-19 op een uitstrijk voor COVID-19, bleek 24,2% geen antistoffen te hebben.

Prof. Sabine Allard: “Het onderzoek dient zich nog te verdiepen over de mogelijkheid dat zij die geen antistoffen aanmaakten ofwel op een later tijdstip toch antistoffen ontwikkelen ofwel een ‘andere’ immuunrespons tegen COVID-19 ontwikkeld hebben. Want antistoffen zijn niet het enige aspect dat de kracht van een immuunsysteem bepaalt. Zo bestrijden ook witte bloedcellen ziekteverwekkers die het lichaam betreden.”


Officiële benaming van het onderzoek

“SARS-CoV-2 seroprevalence and seroconversion among employees of the Universitair Ziekenhuis Brussel during the 2020 COVID-19 outbreak”.

Onderzoek onder leiding van prof. Sabine Allard, prof. Denis Piérard, prof. Deborah De Geyter, prof. Patrick Lacor, dr. M. Sc. Ellen Vancutsem, dr. Hilde Devroegh, dr. M. Sc. Sven Van Laere en prof. Ilse Weets.

Met steun van de UZ Brussel Foundation

Laat een commentaar na

Your email address will not be published. Required fields are marked *