Antwerpen heeft nood aan 2000 extra serviceflats

“Stad Antwerpen wordt geconfronteerd met een toenemende vergrijzing. Die tendens is meer uitgesproken in bepaalde wijken. Het is daarom noodzakelijk te anticiperen op het toenemend aantal ouderen en zorgbehoevenden en tegelijkertijd tendensen te volgen op het wijkniveau. Op die manier kunnen wij een gedecentraliseerd en weloverwogen gespreid – en dus behoeftegestuurd – zorgaanbod uitbouwen.”
In het bestuursakkoord 2007-2012 werden de krijtlijnen uitgezet voor een richtinggevend sociaal beleid. “Eén van de doelstellingen hierbij is dat iedereen ondanks een verminderde zelfredzaamheid moet kunnen beschikken over een aangepaste woon of woon-zorgvorm in functie van zijn leefstijl. Om dat te verwezenlijken is er sowieso een behoefte aan 2000 extra serviceflats.”
In de visie van een levensloopbestendige wijk wordt een scala aan voorzieningen voorzien die evolueren naarmate een persoon meer of minder afhankelijk wordt van zorg.” Maken onder meer deel uit van deze voorzieningen: mantelzorg, lokaal dienstencentrum, kangaroewoningen, serviceflats, crisis/nachtopvang, aan- of inleunflat, rust- en verzorgingstehuizen, kortverblijf, enz…”
Een belangrijke rol in een levensloopbestendige wijk is weggelegd voor het lokaal dienstencentrum. “Wij willen dat dienstencentra als centraal punt in de woonzorgkernen fungeren. Het lokaal dienstencentrum dient als aanspreekpunt, als ontmoetingscentrum, als coördinatie- en servicepunt voor thuishulp- en dienstverlening en als meldpunt en platform voor detectie en opvang van kwetsbare, vereenzaamde ouderen.”

Potentieel benutten

“Om de zorgvraag te bepalen vertrekken wij van de seniorenpopulatie in de afzonderlijke wijken en passen de Vlaamse programmatiecriteria toe op elke wijk. Dit doen we voor vier verschillende zorgvormen: RVT-ROB, DVC-CVK, SF en LDC. Wij willen dus zowel inzetten op residentiële zorgvormen als op thuisondersteunende diensten. Een overaanbod in een bepaald zorgsegment proberen we te verminderen door de afbouw ervan, eventueel gepaard gaand met de vervanging/uitbreiding van het aanbod van een ander zorgsegment.”  Johan Demuynck benadrukt dat capaciteitsverlies dient voorkomen te worden. “Een groot aantal RVT-bedden van bepaalde rusthuizen zal in de nabije toekomst niet langer voldoen aan de kwaliteitscriteria die door de Vlaamse Gemeenschap worden gesteld. Eerder dan de bestaande infrastructuur te verwaarlozen, wensen we haar potenties volledig te benutten en door middel van de nodige renovatiewerken te conformeren aan de normen.”
De stad Antwerpen werd onderverdeeld in 31 levensloopbestendige wijken. “Eén wijk vertegenwoordigt circa 15.000 inwoners, wat overeenkomt met het aantal inwoners in een ‘doorsnee’ Belgische gemeente. Wat betreft het bestaande en geplande aanbod van RVT-ROB woongelegenheden is er vooral een tekort in de randdistricten van Antwerpen. Het tekort aan serviceflats manifesteert zich voornamelijk in Merksem, Deurne en Wilrijk. Voor dagvoorzieningen en kortverblijf situeren de meeste tekorten zich in de randdistricten.” Het OCMW Antwerpen streeft naar een capaciteit van circa 150 woongelegenheden per RVT. “Wij baten zeven RVT’s uit met een capaciteit die boven deze bovengrens ligt. Daarnaast zijn meer dan 750 woongelegenheden aan vernieuwing toe. Wij verkiezen nieuwbouw boven renovatie en streven naar een optimale spreiding over het grondgebeid van de stad, in functie van de behoefte van de wijk. Bij eventuele over- en ondercapaciteit zal er in samenspraak met andere actoren naar een oplossing gezocht worden.”

Inhaalbeweging

“Omdat het niet mogelijk is om alle wijken in één beweging om te vormen tot levensloopbestendige wijken, is het nodig om een inhaalbeweging te starten die gefaseerd verloopt. Welke wijken prioritair worden aangepakt, wordt bepaald aan de hand van zes criteria waaraan we een gewicht toekennen. Wij baseren ons bij de bepaling van deze criteria op onze principes. Wij streven naar een mix van klantengebonden criteria (60%) en bouwcriteria (40%).”

Samenwerking

“Het heeft geen zin om als OCMW op eigen houtje een lokaal sociaal beleidsplan uit te werken. Daarom is het noodzakelijk om samen te werken externe partners. ‘Concurrentie’ mag daarbij geen rol spelen. Wij wensen dan ook een gezamenlijke visie, samenwerking en afstemming uit te bouwen met alle woon-zorgpartners,” besluit Johan De Muynck.

Lees ook

Wil je op de hoogte blijven van het laatste zorgnieuws?

Wens je up-to-date te blijven van het laatste zorgnieuws?
Schrijf je dan hier in en ontvang 2-wekelijks onze nieuwbrief.