Typ om te zoeken

ICT In the spotlight

Het Actieplan eGezondheid – Roadmap 3.0

Delen

Bijna dag op dag twee jaar geleden keurden de acht ministers van het IMC het Actieplan eGezondheid 2019-2021 goed. De eerste versie dateert van 2013 en werd toentertijd opgemaakt in samenwerking met een driehonderdtal mensen van alle beroepsgroepen uit de zorgsector. Driekwart van alle vooropgestelde doelstellingen van het plan 2013-2018 werd daadwerkelijk gerealiseerd, waaronder elektronische voorschriften, de elektronische uitwisseling van informatie en het online gezondheidsportaal voor de patiënt. 

Roadmap 3.0 

Deze grote en kleine successen waren een belangrijke stimulus ter voorbereiding van het nieuwe Actieplan. Hierin werden 7 clusters en 44 onderling samenhangende projecten geïdentificeerd en verbonden aan duidelijke ambities en doelstellingen. Een jaarlijkse bevraging geeft de programmamanager en projectleiders de ruimte om projecten te evalueren en nieuwe toe te voegen. Zo vormt ‘het receptenboek’ een leidraad voor de uitrol van e-gezondheid in ons land. 

Wat is de status? 

“In maart 2020 waren we pakweg een jaar verder met het nieuwe plan. Met Covid-19 is een en ander wel vertraagd”, opent Etienne Maeriën het gesprek. Maeriën was raadgever e-Health in het kabinet van minister Maggie de Block van september 2017 tot oktober 2020 en is oprichter van het Dri3m-netwerk (Mens, Maatschappij en Milieu). “Lopende zaken bollen verder, maar enkele nieuwe projecten kwamen vrijwel tot stilstand. Met de nieuwe regering is het ook wat afwachten waar men al dan niet meer vaart achter zet. Het vorige actieplan legde de nadruk op wat er voor de patiënt kon worden gedaan. In navolging daarvan krijgt Mijngezondheid steeds meer vorm. Gaandeweg ontsluit men in dit portaal almaar meer nieuwe omgevingen. Ook zijn er ondertussen heel wat zaken goed geregeld ter ondersteuning van huisartsen en apotheken.” 

Etienne Maeriën (Oprichter van het Dri3m-netwerk, Raadgever e-Health in het kabinet van minister Maggie De Block)

Mobile Health 

Een nieuwe belangrijke pijler is Mobile Health. In de eerste versie van het Actieplan kwam dit onderwerp ook aan bod, maar anno 2013 stond Mobile Health nog in de kinderschoenen. “Ondertussen zijn mobiele toepassingen niet meer weg te denken. De vraag is nu hoe we ze financieel kunnen inkantelen. Dat blijkt zeer ingewikkeld in België, door onze vergoedingsmethode op basis van prestaties. Daarom heeft het ook zo lang geduurd voor die validatiepiramide op gang kwam. Er is drie jaar lang enorm hard aan getrokken.” 

In juni 2020 werd het tweede niveau van de validatiepiramide uitgerold, waarbij apps op niveau 2 (M2) bovenop de vereisten voor niveau 1 (M1) moeten voldoen aan een reeks strenge ICT- en privacycriteria. Ook moeten ze kunnen communiceren met bestaande digitale toepassingenEchter opnieuw heeft de ‘verklaring op eer’-methode de overhand in plaats van daadwerkelijk testen. De volgende stap is een structureel kader voor de financiering. “En toen kwam Covid-19. Op drie uur tijd kon voor teleconsulten (ook die via de telefoon!) ineens wel 20 euro worden terugbetaald. Zodra de pandemie voorbij is, stopt dit, tenzij er in tussentijd een andere oplossing wordt gevonden.” 

Mobiele toepassingen en gezondheidsapps bieden steeds meer mogelijkheden. Op het vlak van preventie, therapietrouw, ter ondersteuning van een zorgtraject… “Niet de overheid, maar de patiënt en zorgorganisaties zijn ‘klant’. Op een gegeven moment zullen we toch moeten zeggen dat het om de outcome gaat, om betere zorg. De snelle terugbetaling van teleconsulten tijdens de pandemie bewijst dat dit mogelijk is.” 

De patiënt als copiloot 

De patiënt centraal stellen, vraagt om een andere insteek. “Met Mijngezondheid merkten we dat het e-health-platform, de kluizen en de circle of trust (COT) allemaal in elkaar gestoken zijn voor zorgvertrekkers. Zodra de patiënt begint mee te doen, zie je dat een aantal dingen nog niet op orde zijn.” Sommige bouwstenen functioneren goed, zoals het Hub/Metahubsysteem en het gedeeld farmaceutisch dossier. Andere zijn niet meer relevant of niet goed genoeg, verklaart Etienne Maeriën. “Denk aan centrale kluizen, informed consent, de toegangsmatrix…” 

Dat is een van de redenen waarom cluster 0 is opgenomen. “Informed consent bijvoorbeeld is niet proportioneel. In feite zegt de patiënt: ‘Ja, je mag mijn gegevens delen met zorgverstrekkers waar ik nu of in de toekomst een therapeutische relatie mee hebt.’ Dit is veel te uitgebreid. Informed consent zou je per episode of care willen doen.” Een ander actiepunt is het digitaal verwijsplatform. De patiënt is quasi niet betrokken bij de doorverwijzing van de ene naar de andere zorgverlener. Hier zou hij een actievere rol in moeten krijgen, om zelf een specialist uit te kiezen, afspraken te plannen, pré-anamese vragen online invullen, de kwaliteit van deze logistieke planningen kunnen beoordelen, etc. 

Gegevensuitwisseling en administratie 

Een verhaal dat volgens Etienne Maeriën wel reeds goed is doorgezet, is het VIDIS-project (Virtual Integrated Drug Information System). Beetje bij beetje wordt deze webtoepassing verder uitgebreid. De eerste integratie in Mijngezondheid is intussen een feit, maar terzelfdertijd kan iedereen constateren dat de gegevens, die versnipperd zijn en onder de bevoegdheden van verschillende organisaties vallenslechts beperkt of niet aan de patiënt worden getoond… Mijn bedoeling is altijd geweest om dit euvel zichtbaar te maken zodat dat de patiënt de overheden en de betrokken organisaties daarover kan aanspreken. 

Verder zijn er nog wat financieel-administratieve aandachtspunten, zoals eFac en het eAttest voor kinesisten, tandartsen en logopedisten. “Ook het Recip-e verhaal is nog niet volledig. Er staat wel een barcode op, maar je moet nog steeds met dat briefje naar de apotheek. In de toekomst gaat dat briefje niet meer nodig zijn en zal de patiënt het ene medicament bij zijn huisapotheek kunnen oppikken en het andere ergens anders halen. Dat klinkt allemaal niet zo ingewikkeld, maar in de praktijk moet je heel veel andere partijen meekrijgen, inclusief softwareleveranciers.” 

De overheid is ook de motor achter DZOP, het digitaal zorg- en ondersteuningsplan voor multidisciplinair overleg en gegevensdeling. “Hiervoor trekt ze volop de kaart van API’s, om softwareprogramma’s met elkaar te doen communiceren en te kunnen werken binnen bestaande architectuurDe meeste APIvan de overheidsdiensten zijn echter gebouwd in SOAP, een al behoorlijk verouderde technologie. Het is logischer om die API’s in de recentere en flexibelere REST-technologie om te zetten. De overheden zijn hiermee nog maar net begonnen. 60-70% van de API’s is nog steeds in SOAP.” 

EPD en Meaningful Use Criteria 

De meeste algemene en universitaire ziekenhuizen hebben ondertussen een actieplan lopen voor een EPD dat de Belgian Meaningful Use Criteria (BMUC) dient te respecteren. Dit is een puur functionele benadering van waar zo’n EPD aan moet voldoen en schept een duidelijk referentiekader. “De early adopters waren de ziekenhuizen die een geïntegreerd EPD als eerste zijn beginnen gebruiken en hun ervaringen delen met andere ziekenhuizen.” Dit laatste is ook een van de doelstellingen en zal aan de hand van workshops worden georganiseerd.  

“De spelregels zijn vandaag duidelijk. We hebben geprobeerd om de criteria wat scherper te stellen en meetbaarder te maken (o.a. aan de hand van BMUC-criteria), maar dat was en is een moeilijke discussie. Met als resultaat: bij de eerste evaluatie waren er van de 100 ziekenhuizen 37 early adopters. Vandaar dat we tijdens het tweede evaluatiejaar hebben voorgesteld om het niet alleen meer te hebben over early adopters en accelerators, maar ook extra budgetten opzij te zetten voor ziekenhuizen die de grootste sprong voorwaarts hebben gemaakt. Het belangrijkste is dat alle ziekenhuizen een duidelijke push hebben gevoeld en dit resulteert in meer en betere zorgondersteuning en zorgorganisatie door inzet van ICT-toepassingen.” 

Laat een commentaar na

Your email address will not be published. Required fields are marked *